Inspirerende straatfotografen van vroeger en nu
Bekende straat- en reportagefotografen blijven hedendaagse fotografen inspireren omdat hun werk de essentie van menselijkheid en observatie vangt. Fotografen als Henri Cartier-Bresson, Dorothea Lange of Ed van der Elsken leerden ons dat fotografie niet alleen gaat over technie. Maar vooral over zien — het herkennen van betekenis in het alledaagse. Zij toonden dat één moment, vastgelegd met het juiste oog en gevoel, een heel verhaal kan vertellen.
Hun beelden vormen een tijdloze les in empathie en compositie. Ze nodigen uit om te kijken naar licht, timing en context. Maar ook om te begrijpen wat er schuilgaat achter een blik, een gebaar of een straattafereel. Hun werk laat zien dat goede fotografie ontstaat uit nieuwsgierigheid en betrokkenheid bij de wereld. En niet uit perfectie of dure apparatuur.
Visie belangrijker dan techniek
We leven in een vluchtige tijd waarin iedereen met een smartphone fotografeert. De straatfotografen van vroeger herinneren ons eraan dat visie belangrijker is dan techniek. Ze dagen nieuwe generaties uit om met aandacht te kijken, om verhalen te ontdekken in het gewone. En om via beelden iets wezenlijks over onze tijd te zeggen — precies zoals zij dat ooit deden.
Hieronder vind je een overzicht van straat- en documentaire fotografen die mijn inspireren en beïnvloed hebben. Ze passeren de revue onderverdeeld vanaf de jaren 1900 tot vandaag, onderverdeeld per periode.
De periode 1900-1920
De grote straat- en documentairefotografen uit het begin van de twintigste eeuw hebben ons niet alleen beelden nagelate,. Maar vooral ook een manier van kijken. Jacob Riis en Lewis Hine toonden dat een camera een instrument van verandering kon zijn. Een middel om onrecht zichtbaar te maken en empathie op te wekken. Hun werk bracht licht in donkere fabrieken en steegjes, en maakte de samenleving eerlijker.
Eugène Atget dwaalde met zijn houten camera door het ontwakende Parijs en liet zien dat schoonheid schuilt in het alledaagse. Zijn kalme observaties leerden ons dat een straatfoto niet geschreeuwd hoeft te worden. Soms spreekt stilte luider. Paul Strand voegde daaraan een nieuwe helderheid toe. Een respect voor vorm, licht en waarheid die fotografie tot volwaardige kunst verhief.
Aandacht voor vrouwelijke pioniers
De vrouwelijke pioniers —Alice Austen, Frances Benjamin Johnston en Jessie Tarbox Beals — brachten nabijheid, zachtheid en moed. Zij keken niet van buitenaf, maar vanuit verbondenheid.
Hun erfenis leeft voort in iedere fotograaf die vandaag met open ogen de straat op gaat. Zij herinneren ons eraan dat fotografie meer is dan vastleggen — het is begrijpen, voelen en getuigen.
Inspirerende fotografen 1900-1920
Alfred Stieglitz (VS)
Amerikaanse fotograaf, uitgever en galeriehouder die een sleutelrol speelde in de promotie van fotografie als kunstvorm. Hij werd beschouwd als een pionier van de moderne fotografie en een belangrijke promotor van de modernistische beweging in de kunsten in Amerika. Hij is beroemd om zijn beelden van New York.
Jacob Riis (VS)
Een van de eersten die de camera gebruikte als sociaal wapen. Zijn boek How the Other Half Lives (1890) toonde het harde leven van immigranten in de sloppenwijken van New York. Riis werkte met glasplaten en flitspoeder, en zijn beelden zetten mensen aan tot maatschappelijke hervorming.
August Sander (Dui)
Grootmeester van documentaire portretfotografie. Project Menschen des 20. Jahrhunderts toont een indringend beeld van Duitse samenleving tussen WO I en WO II.
Eugène Atget (Frankrijk)
Documenteerde Parijs rond 1900–1927, vooral lege straten en oude winkels; een grote invloed op latere straatfotografen.
Lewis Hine (VS)
Bekend om zijn krachtige foto’s van kinderarbeid en fabrieksarbeiders. Zijn werk voor de National Child Labor Committee had directe invloed op wetgeving. Later fotografeerde hij ook de bouw van het Empire State Building.
Alice Austen (VS)
Een echte pionier in straatfotografie, lang vóór die term bestond. Ze legde het stadsleven van New York vast: immigranten, arbeiders, vrouwen op straat — maar ook speelse en intieme momenten uit haar eigen leven. Haar openhartige foto’s tonen een directe, menselijke blik op de wereld.
Frances Benjamin Johnston (VS)
Documenteerde het dagelijks leven in de VS, waaronder onderwijs, fabrieksarbeid en de positie van vrouwen. Ze was ook een van de eerste vrouwen die persfotografie beoefende. Haar foto’s van scholen voor Afro-Amerikaanse studenten, zoals het Hampton Institute, zijn sociaal en historisch belangrijk.
Jessie Tarbox Beals (VS)
De eerste vrouwelijke persfotograaf in Amerika. Ze werkte op straat, bij demonstraties en markten, vaak met een zware camera die ze zelf droeg. Haar werk combineerde journalistiek instinct met artistieke flair.
De periode 1920-1940
Tussen 1920 en 1940 voltrok zich een kleine revolutie in de fotografie. En de straatfotografen uit die periode stonden daarin centraal. Ze werden pioniers én humanisten genoemd — en dat was niet zomaar een etiket, maar een erkenning van hun blik op de wereld en hun vernieuwende manier van kijken.
Empathie en het Menselijke verhaal
Ze waren pioniers omdat ze de straat voor het eerst zagen als podium voor het echte leven. Dankzij de opkomst van kleine, handzame camera’s zoals de Leica konden ze snel reageren en onopvallend werken. In plaats van geposeerde studioportretten legden ze het spontane, onvoorspelbare ritme van de stad vast. Kinderen die spelen, arbeiders die rusten, geliefden op een bankje. Ze trokken de fotografie letterlijk de straat op.
Ze werden humanisten genoemd omdat hun werk een diepe empathie voor mensen uitstraalde. In een periode van economische crisis, oorlogsdreiging en snelle verstedelijking. Ze zochten naar het menselijke verhaal achter het dagelijks bestaan. Fotografen als Henri Cartier-Bresson, Brassaï en André Kertész probeerden niet alleen te registreren, maar ook te begrijpen. Ze zagen schoonheid in het alledaagse en waardigheid in het gewone leven.
Hun fotografie draaide om menselijkheid, niet om sensatie. Dat humanistische ideaal – de overtuiging dat elk individu een verhaal waard is – werd de kern van wat later bekendstond als de “humanistische fotografie”.
Inspirerende fotografen 1920-1940
André Kertész (Hongarije/Frankrijk/VS)
Bekend om zijn poëtische composities en spontane beelden van het stadsleven.
Brassaï (Hongarije/Frankrijk)
Legendarische foto’s van het Parijse nachtleven in de jaren 1930 (Paris de Nuit).
Walker Evans (VS)
Documentaire stijl; bekend van zijn werk voor de Farm Security Administration (FSA) tijdens de Grote Depressie.
Dorothea Lange (VS)
Ook FSA-fotograaf; haar portretten van migranten, zoals Migrant Mother, zijn iconisch.
Paul Strand (VS)
Zijn werk vormde de brug tussen het picturalisme (de dromerige stijl van vroege fotografie) en de meer directe “straight photography” van de jaren ’30.
Hun werk toont de overgang van fotografie als technische curiositeit naar een krachtig middel om de samenleving te observeren, te bekritiseren en te begrijpen.
Henri Cartier-Bresson (Frankrijk)
De grondlegger van de decisive moment; mede-oprichter van Magnum Photos.
De periode 1940-1960
Tussen 1940 en 1960 kreeg straatfotografie een nieuw, zachter maar ook dieper geladen karakter. De fotografen uit die tijd — denk aan Robert Doisneau, Willy Ronis, Edouard Boubat, Helen Levitt of W. Eugene Smith — erfden de pioniersgeest van hun voorgangers. Maar ze voegden er iets wezenlijks aan toe: een naoorlogse blik die menselijkheid als tegenkracht zag voor de verwoesting die net had plaatsgevonden.
De geschiedenis en hun persoonlijke overtuigingen
Na de gruwel van de Tweede Wereldoorlog heerste in Europa en Amerika een groot verlangen naar hernieuwd vertrouwen in de mens. Fotografen wilden niet langer de macht of ellende tonen, maar de veerkracht en waardigheid van gewone mensen. Straatfotografie werd een middel om te zeggen: “Kijk, het leven gaat door. Er is nog schoonheid, warmte, humor.”
Daarom spreekt men van een humanistische blik: de camera werd een instrument van begrip in plaats van oordeel. De straat diende niet enkel als decor, maar als symbool van herstel — een plek waar het gewone leven zich weer ontvouwde, met liefde, spel en solidariteit.
De naoorlogse blik
De naoorlogse blik was tegelijk realistischer en hoopvoller. Fotografen probeerden eerlijk te kijken, maar niet cynisch. Ze geloofden in de waarde van elk mens. Ongeacht afkomst of stand. Dat idealisme paste bij de tijdgeest van wederopbouw. Maar ook bij het groeiende internationale bewustzijn van mensenrechten.
Hun beelden — kinderen die spelen tussen de puinhopen, geliefden in Parijs, marktvrouwen, arbeiders. Ze werden zo visuele pleidooien voor menselijkheid in een wereld die even had vergeten wat dat betekende.
Inspirerende fotografen 1940-1960
Robert Doisneau (Frankrijk)
Bekend om zijn charmante scènes uit het Parijse straatleven.
W. Eugene Smith (VS)
Intense, verhalende foto-essays voor LIFE Magazine.
Helen Levitt (VS)
Poëtische en speelse foto’s van kinderen en straatscènes in New York.
Ernst Haas (Oost)
Poëtische en speelse foto’s van kinderen en straatscènes in New York.
Vivian Maier (VS)
Pas postuum ontdekt; haar zelfportretten en straatbeelden uit Chicago en New York zijn inmiddels klassiek.
Ruth Orkin (VS)
Bekend om haar krachtige straatbeelden en vrouwelijke blik in het stedelijke leven.
Ed van der Elsken (Nl)
Combineerde documentaire scherpte met persoonlijke betrokkenheid. Bekend van Love on the Left Bank (1956), gefotografeerd in Parijs, en zijn latere werk in Amsterdam (Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés, Welkom in het leven, lieve kleine).
Cas Oorthuys (Nl)
Documentaire fotograaf, lid van de foto-collectief De Ondergedoken Camera tijdens WO II. Legde oorlog, wederopbouw en alledaags leven vast. Werkte ook voor het Fodor-collectief en De Arbeiderspers.
Emmy Andriesse (Nl)
Lid van De Ondergedoken Camera (net als Oorthuys). Haar foto’s van de Hongerwinter (1944–45) behoren tot de indrukwekkendste oorlogsbeelden uit Nederland.
De periode 1960–1980
De periode 1960–1980 markeerde een breuk én een vernieuwing binnen de straatfotografie. De humanistische blik bleef aanwezig, maar werd ruwer, eerlijker en soms ook kritischer. De naoorlogse generatie geloofde in de schoonheid van het alledaagse. Echter keek de nieuwe lichting straatfotografen met een scherp oog naar de complexiteit, absurditeit en tegenstrijdigheden van het moderne leven.
De reden daarvoor ligt in de tijdgeest. De wereld veranderde razendsnel. De welvaart groeide, steden werden voller en anoniemer, de popcultuur explodeerde, en sociale ongelijkheid. En protestbewegingen staken overal de kop op. Fotografen als Garry Winogrand, Diane Arbus, Lee Friedlander en later Joel Meyerowitz grepen dat moment aan. Ze gebruikten de straat als spiegel van een veranderende samenleving.
Chaos en Ironie
Hun humanistische blik bleef – ze bleven gefascineerd door de mens – maar die blik was niet langer idealistisch. Hij werd ondervragend. Waar hun voorgangers warmte zochten, legden zij juist vervreemding, chaos en ironie vast. De camera werd een middel om te tonen hoe mensen zich staande houden in een wereld vol reclame, consumptie, protest en snelheid.
De naoorlogse blik was intussen veranderd tot een meer levenshouding. Wie zijn we geworden, nu het materiële geluk de boventoon voert? Die vraag doordrong hun werk. Straatfotografie werd rauwer, speelser en psychologischer.
Kort gezegd:
- De humanisten van 1940–60 toonden hoop en herstel.
- De straatfotografen van 1960–80 toonden twijfel, humor en absurditeit.
Hun werk legde de basis voor de hedendaagse straatfotografie.
Kleurijker en globaler
Vanaf de jaren ’80 werd straatfotografie internationaler, persoonlijker en experimenteler. De komst van kleurfilm, later digitale camera’s, en reizen op wereldschaal gaven fotografen nieuwe vrijheid. Namen als Martin Parr, Nan Goldin en Daido Moriyama brachten een eigen, vaak rauwe of ironische toon.
De humanistische warmte maakte plaats voor reflectie en commentaar op consumptie, identiteit en globalisering. Straatfotografie werd niet alleen observatie. Maar ook interpretatie: een manier om te laten zien hoe wij kijken naar de wereld. En niet enkel wat we zien.
Vanaf dat moment was de straat niet langer alleen een plek, maar ook een spiegel van de tijdgeest.
Inspirerendefotografen 1960-1980
Garry Winogrand (VS)
Rauw, spontaan, energiek straatleven in Amerika.
Joel Meyerowitz (VS)
Een pionier in kleur straatfotografie; iconisch werk uit New York.
Lee Friedlander (VS)
Complexe composities met reflecties en zelfreferenties.
Dorothy Bohm (VK)
Dorothy Bohm is een van de beste straatfotografen van Groot-Brittannië. Ze arriveerde in 1939 in het Verenigd Koninkrijk nadat ze de nazi-vervolging in Litouwen was ontvlucht. Op 92-jarige leeftijd blijft ze fotograferen en legt ze momenten in het leven vast met menselijkheid en compassie.
Dorothy Bohm (VK)
Tony Ray-Jones (VK)
Documenteerde het Britse sociale leven met humor en afstand.
Rene Burri (Zwi)
René Burri was een Zwitserse Magnum-fotograaf die uitblonk in het vastleggen van historische momenten met een bijna filmische elegantie. Hij had een uitzonderlijk gevoel voor timing en geometrie, waardoor zelfs chaotische situaties helder en uitgebalanceerd ogen.
De periode van 1980-2000
Tussen 1980 en 2000 werd straatfotografie veelzijdiger en persoonlijker dan ooit. De wereld verstedelijkte, consumptiecultuur bloeide. En individualisme nam toe. Dat alles sijpelde door in de foto’s. Straatfotografen gingen minder op zoek naar universele menselijkheid. Maar meer naar identiteit, contrast en ironie.
De periode van 1980-2000
In Europa en Amerika verschenen fotografen als Martin Parr, Joel Meyerowitz, Bruce Gilden en Nan Goldin, Elk op hun eigen manier reageerden ze op de maatschappij van overvloed, reclame en vervreemding. Hun werk was kleurrijker, harder en soms humoristisch, maar altijd doordrongen van observatie.
De technologische vooruitgang speelde ook een rol. Kleurenfilm werd standaard, flitsgebruik en close-up composities gaven foto’s een rauwe directheid. De straat werd niet langer alleen het domein van het menselijke moment. Maar ook van het maatschappelijke commentaar.
Kort gezegd: waar de humanisten zochten naar verbondenheid, zochten de fotografen van 1980–2000 naar betekenis. En dat in een wereld die steeds sneller en complexer werd.
Inspirerende fotografen 1980-2000
Sebastião Salgado (Brazilië)
Monumentale zwart-witdocumentaireprojecten over arbeid, migratie en milieu.
Alex Webb (VS)
Complexe, gelaagde kleurenbeelden met sterke composities; vaak in Latijns-Amerika.
Stephan Vanfleteren (Be)
Documentair fotograaf (meer actief vanaf jaren ’90). Bekend om sobere zwart-witportretten van mensen uit de Lage Landen; series zoals Belgicum. Zijn stijl ligt dicht bij Ed van der Elsken, maar met meer melancholie en rust.
Richard Sandler (USA)
Hij werd vooral bekend door zijn zwart-witfoto’s van het stedelijke leven in New York en Boston tussen de jaren 1977 en 2001 — een periode waarin beide steden sterk veranderden, van verval naar vernieuwing.
Zijn werk toont het rauwe, vaak melancholische karakter van het straatleven. Sandler werkte analoog, meestal met een Leica-camera, en fotografeerde intuïtief maar met een scherp gevoel voor compositie en menselijkheid.
Bruce Gilden (USA)
Bruce Gilden is een Amerikaanse straatfotograaf die bekendstaat om zijn rauwe, compromisloze manier van werken: dicht op zijn onderwerp, vaak met flits, waardoor zijn beelden een bijna schokkende directheid krijgen. Hij heeft een scherp instinct voor karakter en gezichtsuitdrukking; hij zoekt geen schoonheid maar waarheid, hoe ongemakkelijk die soms ook is. Zijn stijl is hard, contrastrijk en intens menselijk — alsof je midden in een harde straatdialoog belandt.
De periode 2000-nu
Vanaf 2000 tot nu is straatfotografie explosief gegroeid én sterk veranderd. De digitale revolutie, smartphones en sociale media hebben de camera letterlijk in ieders hand gelegd. Straatfotografie werd democratisch: iedereen kan observeren, delen en verhalen vertellen.
Het wereldwijde podium en online platforms
Toch is de essentie hetzelfde gebleven — het zoeken naar betekenis in het alledaagse. Wat wél veranderde, is de vorm. Fotografen als Trent Parke, Alex Webb, Vivian Maier (postuum ontdekt) en Matt Stuart brengen complexere, gelaagde beelden. Foto’s waarin kleur, licht en timing bijna filmisch zijn. Tegelijk gebruiken jongere fotografen, straatfotografie om thema’s als identiteit, privacy en stedelijke eenzaamheid te onderzoeken.
De straat werd een wereldwijd podium. Instagram en online platforms versnelden de verspreiding. Maar brachten ook een uitdaging: hoe onderscheid je echte observatie van vluchtige snapshots?
Kort samengevat: sinds 2000 is straatfotografie technologisch vrijer, visueel rijker en maatschappelijk bewuster geworden — een vorm waarin ieder beeld iets zegt over hoe we onszelf en onze tijd zien.
Het privacy vraagstuk
Het privacyvraagstuk veranderde de straatfotografie fundamenteel — niet technisch, maar moreel. Fotografen konden vroeger vrij door de stad bewegen en onbekenden vastleggen. Hier kwam vanaf de jaren 2000 helaas een nieuwe spanning bij kijken. Die tussen artistieke vrijheid en persoonlijke privacy.
Er zijn een paar redenen voor die verschuiving:
- Digitale fotografie maakte beelden oneindig deelbaar. Een foto die ooit op een muur of in een boek belandde, kan nu in seconden wereldwijd circuleren. Dat wekt bij mensen begrijpelijkerwijs weerstand op. Niemand wil ongevraagd het onderwerp zijn van een virale post.
- Daarnaast veranderde de publieke ruimte zelf. Met de opkomst van bewakingscamera’s, sociale media en gezichtsherkenning voelen mensen zich vaker bekeken. En dus gevoeliger voor de grens tussen documenteren en schenden.
Voor straatfotografen betekende dit een herijking van hun rol. Sommigen kozen voor meer afstand, symboliek of schaduwspel om anonimiteit te bewaren. Anderen omarmen juist confrontatie en gebruiken toestemming als onderdeel van hun proces. In feite werd het privacyvraagstuk een artistiek thema op zich. En wel: hoe kun je de waarheid van de straat tonen zonder iemands persoonlijke grenzen te overschrijden?
Dat morele evenwicht tussen vrijheid van expressie en respect voor de geportretteerde is nu een van de belangrijkste vraagstukken in de moderne straatfotografie.
Inspirerende fotografen 2000-nu
Matt Stuart (VK)
Humoristische en scherp geziene straatmomenten; sterk in timing.
Eduardo Ortiz (Chili)
Zijn beelden ademen rust én spanning tegelijk: zorgvuldig geobserveerde momenten vol lagen en subtiele interacties. Hij heeft een scherp oog voor compositie en timing, waardoor zelfs toevallige situaties betekenisvol lijken. Zijn stijl is kleurrijk, intuïtief en menselijk — een combinatie van observatie, emotie en esthetisch evenwicht.
Jonathan Jasberg (Zwe)
Hij leidt een nomadisch fotografenleven en heeft zich toegewijd aan het lopen, kijken en wachten op het juiste moment — niet op geluk, maar op nieuwsgierigheid en geduld.
Kleur speelt een belangrijke rol in zijn werk: hij werkt meestal in kleur, gebruikt brede lenzen (28-35 mm) om de setting en relaties tussen mensen en ruimte vast te leggen.
Melissa O’Shaughnessy (USA)
Humoristische en scherp geziene straatmomenten; sterk in timing. Ze is lid van UP Photographers, een collectief van 26 internationale straatfotografen.
Fokko Muller (Nl)
Fokko fotografeert met een scherp oog voor compositie, timing en kleur. Zijn beelden zijn vaak helder, rustig opgebouwd en tonen een subtiel gevoel voor humor of absurditeit in het alledaagse.
Hij zoekt betekenis in patronen, lichtval en de interactie tussen mensen en stedelijke ruimte.
Zijn stijl is herkenbaar door grafische lijnen, geometrie en minimalisme. Denk aan mensen die toevallig in precies de juiste kleur kleding langs een felgekleurde muur lopen.
